Kinderfysiotherapie > Syndroom van Down
Syndroom van
down
Het syndroom van Down is
een ongeneeslijke, chromosomale afwijking, die bij de bevruchting ontstaat. In
de meeste gevallen is er sprake van een extra chromosoom 21 in alle
lichaamscellen. Het leidt tot een aandoening waarbij er sprake is van een
vertraagde geestelijke ontwikkeling. Ook zijn er lichamelijke kenmerken en
afwijkingen.
Het syndroom van down wordt ook wel trisomie-21 of mongolisme genoemd.
Symptomen
Baby's
met het syndroom van Down worden meestal herkend aan hun uiterlijk en gedrag,
hoewel het niet altijd direct na de geboorte zichtbaar is. Kinderen met deze
aandoening hebben bepaalde gemeenschappelijke kenmerken, ze zijn niet identiek
en vertonen ze evenveel persoonlijkheidsverschillen als kinderen die deze
aandoening niet hebben.
kinderen
met het syndroom van down zijn over het algemeen 'slapper' dan andere
baby's.
Oorzaken
Het
Down Syndroom wordt veroorzaakt doordat er van het chromosoom nummer 21 geen
twee, maar drie (vandaar de naam trisomie 21) aanwezig zijn. Dit kan op drie
verschillende manieren zijn ontstaan.

1.
Non-disjunction (95%):
Non-disjunction betekent letterlijk: het niet uit elkaar zijn gegaan van de
twee helften van een chromosomenpaar, zoals normaal hoort te gebeuren bij de
vorming van elke eicel en elke zaadcel. (fig. 2) Wanneer de twee helften van
een chromosomenpaar daarbij niet uit elkaar gaan, bevat die eicel of zaadcel
twee in plaats van een van een bepaald chromosoom. Na samensmelting bij de
bevruchting zitten er dan in de bevruchte eicel drie in plaats van twee van dat
bepaalde chromosoom. In het geval het gaat om chromosoom nummer 21 wordt er een
kindje geboren met het syndroom van Down.
Het niet uit elkaar gaan van een chromosomenpaar gebeurt vaker vlak voor het
vrijkomen van een rijpe eicel (80%), dan bij de vorming van een zaadcel (20%).
Naarmate een moeder of vader ouder is, is de kans op het niet uit elkaar gaan
van een chromosomenpaar groter.
De herhalingskans na de geboorte van een baby met het syndroom van Down is
ongeveer 1 tot 2%.
Translocatie
(3 - 4%)
Translocatie betekent letterlijk: verplaatsing. Soms breekt er een stuk van een
chromosoom af en blijft dat kleven aan een ander chromosoom. Wanneer er een
stuk van chromosoom 21 afbreekt en vast zit aan een ander chromosoom (meestal
is dit chromosoom 14), is de hoeveelheid erfelijkheidsmateriaal nog net zo
groot als voordat het stuk afbrak. Het zit alleen maar vastgeplakt aan een
ander chromosoom, maar doet verder 'gewoon' zijn werk. Die persoon is dan
'drager' van een erfelijke afwijking, maar heeft er zelf geen last van.
Bij de vorming van eicellen of zaadcellen kan het echter misgaan. Hierin zullen
immers chromosomen 14 worden doorgegeven met het stuk van chromosoom 21 eraan
vastgeplakt. Na de bevruchting ontstaat dan nieuw leven met wellicht twee
chromosomen 21 plus nog een stuk chromosoom 21 extra. En dat is bijna hetzelfde
als drie chromosomen 21.
De kans op herhaling valt niet zondermeer te voorspellen. Dat hangt erg af van
het type translocatie. De klinische geneticus kan op basis van het wel of niet
aanwezig zijn van de translocatie bij een van de ouders een schatting maken van
de kans op herhaling tijdens een volgende zwangerschap.
Mozaïekbeeld
(1%)
Bij een mozaïekbeeld hebben niet alle lichaamscellen drie chromosomen 21, maar
slechts een gedeelte. Dit kan gebeuren wanneer het niet uit elkaar gaan van het
chromosomenpaar nummer 21 niet bij de vorming van de zaadcel of de eicel is
opgetreden, maar pas tijdens de eerste dag na de bevruchting. Wanneer het niet
uit elkaar gaan gebeurt als de bevruchte eicel zich al een of twee keer heeft
gedeeld, zal er een baby geboren worden met zowel lichaamscellen met het
normale aantal chromosomen, als lichaamscellen met een chromosoom nummer 21 teveel
(trisomie 21 cellen). De trisomie 21 cellen zijn min of meer egaal over het
lichaam verdeeld. Het spreekt voor zich dat een baby waarvan de helft van de
lichaamscellen trisomie 21 cellen zijn, veel meer kenmerken van het Down
syndroom heeft, dan een baby met een kwart van de lichaamscellen.
Vanwege de zeldzaamheid van Down syndroom met een mozaïekbeeld kunnen er geen
precieze cijfers over de kans op herhaling na een volgende zwangerschap worden
gegeven. Men neemt echter aan dat deze klein is.
Behandeling
Down
syndroom is niet te genezen. Medisch onderzoek en deskundige medische en
psychosociale begeleiding zijn heel belangrijk. Daarom zijn multidisciplinaire
Down syndroom teams opgericht, die bestaan uit meerdere specialisten die veel
ervaring hebben met de zorg en de begeleiding van kinderen met Down syndroom.
De DS-teams bestaan uit medici van verschillende specialismen,
zoals een kinderarts, een oogarts, een voedingsdeskundigen, een tandarts,
een kindercardioloog, een gynaecoloog, een logopedist, een fysiotherapeut en
een orthopedagoog.
Behandeling
van de fysiotherapeut
Bij
kinderen vindt in de eerste levensjaren de ontwikkeling van de basismotorische
vaardigheden plaats. Dit kan worden beschreven in totaal 9
ontwikkelingsstappen, te weten de ontwikkeling van de motoriek in buikligging
en rugligging, omrollen, zitten, voortbewegen over de grond, zitten en de
zithouding en staan en gaan staan en lopen.
Het
is vooral belangrijk dat kinderen deze stappen kwalitatief zo goed als mogelijk
ontwikkelen. Dat het snel gebeurd is niet zo belangrijk. Deze stappen leggen
namelijk samen de basis voor alle motorische ontwikkelingen die een kind daarna
nog moet doormaken. Hoe beter de eerste stappen zijn geweest, hoe beter het
daarna weer kan gaan.
Als
bij een kind de ontwikkeling van die 9 basisstappen niet helemaal vanzelf goed
gaat, is het nodig om in een vroeg stadium met kinderfysiotherapie te starten.
Ook bij kinderen met Downsyndroom gaat deze ontwikkeling meestal niet vanzelf.
Voor hen is het daarom belangrijk om zo vroeg mogelijk te beginnen met
kinderfysiotherapie.
Om
de 9 basisstappen aan te leren bij kinderen met het syndroom van down wordt
er therapie gegeven in spelvorm. Door de basisstappen vaak te herhalen en
er een spelletje van te maken kan het worden aangeleerd.